„Dit zijn de litteekens . .
Ik snelde hem direct te hulp. Doch voor ik mijn vriend bereikt had, groefde een tweede kaaiman zijn tanden in mijn dijbeen. In mijn doodsangst gaf ik het ondier een hieuw met mijn klewang. Het water werd rood van bloed. Ik had hem blijkbaar goed geraakt, want de beet verslapte en gesteund door twee kameraden bereikte ik de oever. Van mijn vriend was niets meer te zien.”
Nu het verhaal uit is toont de koloniaal een paar vuurrode plekken op zijn dijbeen.
„Dit zijn de littekens. Mijn been is stijf gebleven, wat dan ook de reden is, dat men mij met drie gulden pensioen in de week naar Holland terugstuurde.”
„Maar daar kun je toch niet van eten ?”
„Daar werd ook niet naar gevraagd, maat. Vergeet niet, dat drie gulden per week nog een vorstelijk loon is vergeleken bij wat de koelies kregen. Holland telt niet voor niets zoveel schatrijke uitbuiters. Al wil men het doen voorkomen, alsof men alleen door medelijden met de arme, door spoken geteisterde inlanders bewogen wordt, de werkelijkheid is wel een beetje anders. Ja, ik durf zelfs te beweren, dat menige blanke nog iets van de inlanders kan leren, want met alle mooie smoesjes over naastenliefde en kuituur staan velen als mens heel wat lager.”
Daar Peter’s maat nog vele avonturen weet te vertellen, is de dag gauw voorbij. Nu zitten ze naast elkaar in de eetzaal.
131