driemaal overgeplaatst te zijn via Bandoeng aan de kust van Semarang terechtkwam.”
Bij deze laatste woorden valt het Peter op, dat de stem van den koloniaal levendiger, maar tevens opstandiger begint te worden.
, Ja, jongen,” vervolgt hij, ,,ze weten daar wel met je terecht. De „heren” konden het in hun grote villa’s in Bandoeng wel uithouden, maar voor ons lag de dood iedere dag op de loer. Vuile, slopende koortsen, hersenkolder, bloeddiarrhee en venerische ziekten dunden regelmatig onze rijen. Mijn potige vriend was binnen korte tijd een skelet gelijk. Een flinke syph had diepe pijngroeven in zijn gezicht nagelaten. Urenlang lag hij soms te ijlen van de koorts. Als hij weer even normaal was kon hij over niets anders dan terugkeren naar Holland praten. Ik herinner me goed de avond, dat hij met zijn handen tegen de oren gedrukt uit zijn stoel overeind vloog en hees schreeuwde: „Laat die bruine kerels hun smoel houden! Houdt op! Houdt op! Ik houd het niet meer uit!” Het monotone geluid van de zingende koelies, die een boot losten, bleef echter doorgaan. In een vlaag van waanzin greep Kees de hals van een fles en begon alles om zich heen stuk te slaan. Zijn ogen waren met bloed doorlopen. Het zweet stroomde langs zijn gezicht. Ik lag als verdoofd in mijn ligstoel toe te kijken. Toen hij uitgeraasd was en voorover op de grond smakte, deed een straal bloed uit een door glasscherven veroorzaakte wond aan zijn pols mij weer tot bezinning komen. Terwijl ik om hulp schreeuwde, voelde ik, hoe dezelfde neiging om alles om mij heen kapot te slaan, zich ook van mij meester maakte.”
Nu stopt de koloniaal even om met een vermoeid gebaar het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Dan vat hij het verhaal weer op.
„De keer, dat we met vijftien man op patrouille een rivier over moesten steken, staat in mijn gedachten gegrift. Mijn vriend liep met zijn bepakte muilezel aan de hand achteraan. De voorsten hadden de andere oever reeds bereikt, toen een waarschuwende kreet ons tot spoed aanmaande. „Kaaiman! Kaaiman!” Verschrikt keek ik achterom en zag net, hoe mijn vriend door een der monsters onder water werd getrokken.
130