ons dorp spoedig stomdronken in een hoek van het café lag te snurken werd er niet aan sluiten gedacht en bleven we de hele nacht gezellig bij elkaar. De volgende ochtend zorgde de kastelein ervoor, dat alle aanwezigen op kosten van mijn vriend weer nuchter konden worden door middel van belegde broodjes en zwarte koffie. Mijn vriend en ik bleven echter nog „dunnetjes” doorgaan, zoals hij het noemde. Pas tegen tien uur togen we gearmd naar het aanmeldingsbureau. Het keuren en tekenen was in een ogenblik gebeurd en met tweehonderd gulden voorschot op zak wandelden we weer op ons gemak naar het café terug. Toen het grootste deel van ons geld in de la van den kastelein verdwenen was en mijn vriend slaags raakte met iemand, die beweerde zijn zoon liever zijn poten kapot te slaan dan hem koloniaal te laten worden, werden we op straat gezet. Nadat ik mijn roes uitgeslapen had duurde het zeker een kwartier vóór het tot mij doordrong, dat ik in een gekke overmoedige bui mezelf voor zes jaar aan de Oost verkocht had.”
Hier onderbreekt de man even zijn verhaal om spiedend in het rond te kijken. Wanneer hij echter niets bijzonders ziet, vervolgt hij:
„8 Juni 1898 stond ik in Rotterdam op de „Bromo” mijn familie vaarwel te wuiven. Mijn vriend stond naast mij. Hoe verder de boot zich van de kade verwijderde, hoe meer voelden wij, dat wij daar in dat kleine, koude, natte Holland iets achterlieten, iets, dat met onszelf vergroeid was, wat we zeker ergens anders zouden missen. Daar we voor elkaar niet wilden weten, dat het gevoel van spijt met iedere meter, die de afstand groter werd, toenam, spraken we er niet over. Toen de kade uit het gezicht verdwenen was, greep mijn vriend mij plotseling bij mijn schouder en met een groot spijtgevoel in zijn stem zei hij: „Verdomme, Arie, eigenlijk heb je dit aan mij te danken. Ik was toch een stomme ezel.” De ernst, waarmee hij de woorden uitgesproken had, verbaasden mij. Was die naar buiten zo ruwe klant in werkelijkheid toch anders? Met een afwerend gebaar gaf ik antwoord. „Ben je gek, man, we zullen er wel doorkomen, hoor. Wat zijn nou zes jaar?” Over Indië kan ik heel wat vertellen. Genoeg is echter, dat ik, na
129