zo in de gaten. De mensen, die toen zelf nog geen malheur kenden, namen zo goed als geen notitie van hen. Nu ze zelf in de penarie zitten, ja, nu vallen wij ook op.”
„Wie bedoel je dan met wij ? De stempelaars ?”
„Neen, maar wacht, let jij even op, of er niemand aankomt, dan ga ik op mijn knieën zitten, want ik kan niet lang achter elkaar blijven staan.” Als de man in het zand neerhurkt, vat hij het gesprek weer op. „Ja, ik kan nu wel zeggen, hoe ik aan die benen kom, maar dan moet ik toch van voren af beginnen. Het is nu ongeveer vijftig jaar geleden, dat ik halfdronken met mijn vriend Kees in een kroeg stond te biljarten en hij beweerde, dat we eigenlijk allebei kerels van niks waren. Wat deden we nog in het ellendige, koude, natte Holland, waar niets te beleven viel? We moesten gaan varen of koloniaal worden. Met bruine meiden uitgaan en zuipen. Niet bij moeders pappot blijven zitten. Ben je bedonderd ? Zijn we kerels of zijn we het niet ? Bij deze woorden bestelde mijn vriend een rondje voor alle aanwezigen. Zich tot mij wendende zei hij: „En jij, ouwe nathals, ga je mee of durf je niet ?” Ik haastte mij direct ja te knikken, niet zozeer, omdat ik zijn woorden serieus nam, dan wel om hem nog even in een gulle bui te houden. Ik kende hem en wist, dat hij al maanden lang over varen of koloniaal worden sprak. Maar nooit zou er iets van komen. Dat stond voor mij vast. Dit keer had ik mij echter vergist. „Arie,” zei hij met zijn bezopen kop, „jongen, je bent voor mij als een broer, dat weet je. Geef mij je hand er op, dat als ik ga jij met mij meegaat.” Tot vermaak van de aanwezige drinkebroers zwoer ik bij hoog en laag zijn vriend te zijn en hem overal trouw te volgen. Nu waren de rondjes niet meer van de lucht. Binnen korte tijd zaten alle aanwezigen wartaal te kletsen. Na even attentie te hebben gevraagd ging mijn vriend boven op een tafel staan en verkondigde met lallende stem; „Ik en mijn vriend Arie gaan morgen tekenen voor koloniaal. Wij zijn het kikkerholland meer dan zat, maar vóór ik wegga wil ik er nog even op wijzen, dat er maar één recept bestaat om in dit land in leven te blijven, nl. goed pappen en nathouden.” Onder bijval van de anderen bestelde hij weer een rondje. Daar de enige veldwachter van
128