te vragen of hij zijn vriend naar de ziekenzaal mag brengen, maar deze schudt zijn hoofd. „Wat gaat mij een Haftling aan, je weet dat het 9 uur geweest is. Dan mag niemand meer naar buiten.” Er is niets aan te doen. Verdere vragen zullen den man razend maken, daarom dekt Henk zijn maat voorzichtig met de punt van zijn deken toe en gaat slapen. De volgende ochtend staat hij echter wat eerder op dan de anderen en rijdt samen met een hulpvaardige benedenbuur den jongen op een kruiwagen naar de ziekenzaal. Als Henk terug komt, om z’n bed en dat van André op te maken, ziet hij, dat diens hoofdkussen zwart ziet van geronnen bloed. — Na het middageten spoedt Henk zich naar een ziekenbarak, die de infection genoemd wordt. Hij heeft gehoord, dat André daar naar toe is gebracht. Hier lukt het hem, zonder tegenstand binnen te komen. Wat hij hier aanschouwt is aangrijpend. In een zaaltje staan circa 40 bedden naast elkaar. In bed 1 ligt een man met schurft. Een roodvonkpatiënt in bed 2, daarnaast een man met een bord „Dysenterie” boven z’n bed. In een volgend bed hangt een met verband omwonden been aan een katrol. Even verder zit een man overeind met grote korsten van zweren in zijn gezicht enz. enz. Henk kan echter zijn vriend niet ontdekken. Daarom stapt hij op een, in het wit gekleden voorman, die aan een tafel verbandrolletjes zit te sorteren af „Ligt hier ook André Sanders Nr, B 1402 ?” De man kijkt van zijn werk op, wijst naar de hoek en zegt: „Daar ligt hij.” Meteen verdiept hij zich weer in zijn werk. Henk, kijkt nog eens in de aangeduide richting, maar ziet niets anders dan vreemde gezichten. Daarom wacht hij tot de voorman uit zichzelf weer opkijkt. „En?” „Ik zie hem niet!” „Wat? O, die, in die hoek, daar onder dat laken,” is z’n ongeduldige verduidelijking. Meteen gaat hij weer verder met sorteren. Henk weet niet wat hij ervan denken moet. Voor het echter tot hem doordringt, dat de frisse jonge kerel dood is, heeft de Duitse voorman hem met zachte hand uit de barak gezet. „Het is hier verboden.” Buiten vraagt Henk nog gauw; „Weet je zeker, dat het mijn vriend André Sanders is?” De man knikt ernstig en zegt: „Schicksal, mein Lieber, Schicksal.” Achter de barak loopt Henk opstandig heen en
126