Nauwelijks lag hij in bed, of zijn snurken kondigde aan, dat hij het land der realiteit verlaten had. Zijn plaats wordt echter gauw ingenomen door een flinken, jongen kerel, die André Sanders blijkt te heten. Hij ligt amper naast Henk of ze zijn al de beste vrienden. Denkelijk vindt André het noodzakelijk om te vertellen, waar hij voor gearresteerd is, want hij zegt schuldbewust: „Ik ben hier, omdat ik mijn persoonsbewijs weg gegeven heb. Ja, je denkt misschien, wat een boef, maar het kwam zó, o, wacht even. Verdraait, m’n deken valt op de grond.” Terwijl de jongen uit zijn bed stapt om z’n deken op te rapen, lacht Henk geamuseerd in zichzelf. Hij vindt het jammer, dat hij vanavond niet aan thuis kan denken, doch het gezicht van zijn nieuwen maat spreekt van zó’n openhartige eerlijkheid, dat hij het niet kan betreuren met hem kennis gemaakt te hebben.. Wanneer de deken weer op het bed ligt, vervolgt de jongen zijn verhaal: „Om me niet verkeerd te beoordelen, moet ik beginnen te vertellen, hoe ik ertoe kwam. Daar mijn vader al vroeg gestorven was, moest ik als jongen van nauwelijks veertien jaar naar een baas. Hoewel ik goed kon leren en graag naar een hogere school had gegaan, kon er niets van komen. Mijn moeder was nauwelijks in staat om de kost voor mijn twee zusters en mij te verdienen. Dus wat ik erbij bracht, was van harte welkom. Toen ik vier jaar bij mijn baas gewerkt had, kreeg ik opslag en werd naar een filiaal in een andere stad overgeplaatst. Daar was ik erg blij mee, doch alles heeft zijn keerzijde. Nu moest ik bij vreemde mensen in de kost en ik was nog nooit van huis geweest. Mijn baas wist echter een oplossing. Hij kende een gezin, dat mij wel in huis wilde nemen. Nette mensen, waar ik later erg aan gehecht werd. Toen in de oorlog bleek, dat mijn hospita’s joden waren, moest ik mijn biezen pakken. Dit speet me erg, vooral, omdat hun zoon m’n beste vriend was geworden. Hem heb ik dan ook mijn persoonsbewijs gegeven, waar hij tot op heden nog mee ondergedoken is.” Na zijn laatste woorden kijkt de jongen Henk aan, als wil hij zeggen: nu is mijn daad in jouw ogen gerechtvaardigd. „Zo,” merkt Henk op, zich verplicht voelend ook iets te zeggen. „Dus je moeder zit nu met je zusters alleen?” „Neen,” is het antwoord. „M’n
124