1. Er is een tendentie, dat alle specifiek Joodse tradities zonder uitzondering door de huidige generatie minder intensief worden gevolgd dan door de vorige. Specifiek niet-Joodse tradities vertonen een omgekeerde tendentie.
2. De Joden in Amsterdam blijken voor de helft in drie bedrijfsgroepen geconcentreerd: textiel, juwelen en intellectuele beroepen. Er is een positieve correlatie vastgesteld tussen het werkzaam zijn in deze beroepen en het in hogere mate nakomen van een aantal Joodse gebruiken, alsmede tussen het werkzaam zijn in deze beroepen en de meer positieve attitudes ten opzichte van de Joodse groep.
3* Er blijkt een positieve correlatie te bestaan tussen meer Joodse kennis en het in hogere mate nakomen van Joodse gebruiken, alsmede tussen een grotere Joodse kennis en de meer positieve attitudes ten opzichte van de Joodse groep.
4. Naast deze uitkomsten, die een sterke indicatie geven in de richting van een bevestiging van onze hypothesen, konden wij tenslotte vaststellen, dat in jonge gezinnen met kinderen, in verband met de socialisatie van deze kinderen, een opleving van de Joodse tradities plaats heeft. Deze terugkeer naar de Joodse traditie is slechts tijdelijk en eindigt in het algemeen bij het volwassen worden van de kinderen. Zij geeft echter gemakkelijk aanleiding tot een beoordelingsfout bij een vergelijking van het navolgen van Joodse tradities van verschillende generaties, waardoor men ten onrechte een ombuiging in de tendentie van traditieverval meent te constateren.
De gevonden gegevens zijn vergeleken met onderzoekingen elders, waarbij ondermeer opviel, dat de Amsterdamse Joden, vergeleken bij recente onderzoekingen, die vooral in de angel-saksische landen hebben plaats gehad, zich in het algemeen, ten opzichte van de onderzochte Engelse en Amerikaanse Joden, onderscheiden door een groter verval in de traditie, met daarnaast een sterkere binding met de staat Israël. Verder werden de resultaten van dit onderzoek getoetst aan stellingen, geuit door ondermeer Jan Romein, J. Klatzkin, Max Brod, C. J. Lammers, Max Weber en Kurt Lewin. Bij dit onderzoek werd uitgegaan van het begrip „marginale mens”, gelanceerd door R. E.
140