Park en uitgewerkt door E. V. Stonequist, waarbij wij echter de nadruk legden op de sociaalpsychologische aspecten, die K. Lewin in zijn omschrijving van het begrip marginale mens in het bijzonder naar voren heeft gebracht.
De gevonden gegevens in deze studie geven steun aan hetgeen door Lewin betoogd is, namelijk dat daar, waar het lid van de minderheidsgroep meer contact heeft met de cultuur en met de medeleden van deze groep, hij minder zal worden gekenmerkt door gevoelens van onzekerheid en onstabiliteit, welke de marginale mens bedreigen.
De Amsterdamse Jood toont zich in dit onderzoek in sterke mate marginaal in de zin die Kurt Lewin daaraan gaf. Dit komt ondermeer tot uiting in zijn onzekerheid omtrent diverse aspecten van zijn Jood-zijn en in zijn angst op te vallen als Jood in een niet Joodse maatschappij.
Hij toont daarbij vaak het beeld van de vereenzaamde mens, zoals die sinds Kafka menigmaal in de Westerse literatuur is beschreven, soms als specifiek Joods, dan weer als algemeen geldend voor de bewoner van de Westerse stedelijke agglomeraties in de twintigste eeuw.
Tenslotte hebben wij dit proefschrift beëindigd met enige indicaties van therapeutische aard.
141