SAMENVATTING
In het voorafgaande werk werd beschreven hoe een representatieve steekproef uit de gehele Joodse bevolking van 18 jaar en ouder van Amsterdam werd ondervraagd omtrent de handelingen, attitudes en gevoelens, welke betrekking hebben op hun Jood-zijn.
Op een bevolking van 12.600 personen van 18 jaar en ouder — allen vermeld op een zgn. masterlist - werden met behulp van een lijst van onwillekeurige getallen 2 1 o personen geïnterviewd volgens de in de bijlage afgedrukte vragenlijst. Wij gingen uit van 4 hieronder volgende hypothesen:
a. In de periode van de enquête 1962/63 zullen de specifiek Joodse gebruiken door de afstammelingen van de Joodse gemeenschap in Amsterdam minder in acht worden genomen dan door de vooraf-
b. Bepaalde beroepsgroepen, te weten de textiel- en juweliers-branche en de academische beroepen zullen verhoudingsgewijs in ruimere mate gevonden worden onder de leden van de door ons te onderzoeken Joodse groep dan onder de rest van de Amsterdamse bevolking.
c. De in de in hypothese b genoemde beroepsgroepen (verder aan te duiden als de „Joodse beroepen”) werkzamen zullen in het algemeen minder ontevreden zijn met hun status als Jood dan de in de andere beroepen werkzame Joden.
d. Joden met minder „Joodse kennis” zullen in het algemeen minder tevreden zijn met hun status als Jood dan zij die over meer Joodse kennis beschikken.
Enkele van de meest opmerkelijke gevonden gegevens zijn:
i39