schuiven; voor de bij de meeste groepen aanwezige groepstrots komt nu de wens dat groepsleden niets zullen doen om als zodanig op te vallen. Binnen onze steekproef vielen alle „historische groepsleden”; van hen die niet meer als Joden wensen te worden beschouwd, via hen die liever geen Jood zouden willen zijn, vervolgens de Joden die er trots op zijn Jood te zijn („anders ben ik het ook, dan ben ik het liever met trots”) tot en met diegenen die het Jood-zijn als een vanzelfsprekend en positief element in hun zijn beleven1. De grootste groep beweegt zich van het Joodse centrum af en men zou deze bewuste en onbewuste „vluchtelingen” nog het meest representatief kunnen beschouwen voor de Amsterdamse Joodse groep als zodanig. Het is interessant om te zien hoe ieder van hen denkt een persoonlijke stap te doen en weinigen merken dat zij zich juist als representant van de groep gedragen, een groep van overwegend marginale mensen. Een proces als dit is maar weinig in de sociale wetenschappen beschreven2 en kan van nut zijn voor het gehele veld der sociale wetenschap3.
B. Een tweede doeleinde welke dit onderzoek beoogt is een bijdrage tot de Joodse geschiedenis en wel wat ik zou willen noemen een poging tot het ontmythologiseren van de historie. Het Joodse volk heeft een uniek fenomeen te zien gegeven van een groep die zich in een dertig eeuwen lange geschiedenis onder wisselende, maar bijna altijd zeer moeilijke, omstandigheden heeft weten te continueren.
Wanneer een subgroep van dit volk heden ten dage duidelijk ontbindingsverschijnselen vertoont, wanneer in één generatie met het blote oog de voortschrijdende desorganisatie der groep valt vast te stellen, dan moet er, zeker wanneer men straks deze studie met een aantal studies van latere onderzoekers kan vergelijken, ook exact aan
132
1
Men kan hier een vergelijking maken met een soortgelijke indeling bij I. Gadourek in „Cultuuraanvaarding en Cultuurontwijking” (p. 8) Groningen ’^8.
2
Het klassieke voorbeeld van een beschrijving van een soortgelijk proces is dat van Thomas & Znaniecki, „The Polish Peasant in Europe and America”, New York, 1918.
3
In ,, „Cultuurconflict” als sociologisch begrip en als verschijnsel” in het Sociologisch Jaarboek, uitgegeven door de Nederlandse Sociologische Vereniging, achtste deel, Leiden 19^4, wijst Prof. Dr. A. N. J. den Hollander op de waarde van verdere studie van het verschijnsel van de marginale mens: (p. 34) „Nimmer te voren zijn zovelen zo alom ter wereld gekomen in de positie van marginale mens”.