met antisemitisme betekent een aparte groep discriminatie; zij, die hun Jodendom meer positief beleven zullen lang niet altijd in de eerste plaats een ongunstige betekenis hechten aan de term aparte groep. Hier blijken de groepen die min of meer op „Joodse grond” staan zich meer significant op de door Lewin aangegeven wijze te gedragen. Ook bij de vraag over de wens als Jood herboren te worden wijken de Joodse beroepen significant af (tabel 97); de Hebreeuws lezenden (tabel 104) bijna significant op een overschrijdingskans van oc = 0,05. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een negatief antwoord op de vraag over de wens als Jood herboren te worden, zelfs met de vrees voor antisemitisme als reële bedreiging op de achtergrond, duidt op een onvrede met zichzelf en zijn leven. Iets soortgelijks doet zich voor bij een vraag of men liever als lid van de andere sekse herboren zou willen worden. Zelfs bij een reëel verschil in de sociale status tussen de leden van de seksen zou een wens tot verwisseling toch in de meeste gevallen als een bewijs van gebrekkige aanpassing aangeduid worden. Dit alles in aanmerking genomen, ook de grotere zelfverzekerdheid bij de vraag over gewenste Joodse gedragingen en negatieve Joodse eigenschappen, mag men de uitkomst van onze enquête wel als een aanwijzing zien van de juistheid van de stelling van Lewin, dat de geborgenheid in de groep en een goede Joodse opvoeding minder angst en minder minderwaardigheidsgevoel bij de Joden teweeg zal brengen1.
Angst en gevoel van minderwaardigheid zou men een kenmerk kunnen noemen van de meerderheid der Amsterdamse Joden. Men vrage zich af hoe het mogelijk is geweest dat in vorige eeuwen de Joden zich als een groep hebben weten te handhaven. Het antwoord ligt ongetwijfeld in de geheel andere positie van de Joden van vóór de Joodse emancipatie. Van hen zou men kunnen zeggen dat zij marginaal waren in de zin die Stonequist daaraan hechtte. De individuele Joden van toen hadden in meerderheid psychologisch echter niet de kenmerken van de marginale mens in de omschrijving die Lewin en
I 26
1
Een illustratie van deze stelling kreeg ik in een gesprek met de Amsterdamse psychiater R. Swelheim-de Boer. Het betrof een echtpaar, zogenaamd half-Joods (beide hadden één Joodse ouder), dat hun kind naar een Joodse dagschool stuurde om, zoals zij verklaarden, „het kind de onzekerheid te besparen van niet te weten waarbij te horen, onder welke onzekerheid wij beiden zo geleden hebben”.