18e eeuw, die terecht de Grote heet, had alle tradities stukgeslagen en slechts voor de grootburger de brokken ervan bewaard. Doch een traditie in brokken verliest zijn functie, zoals ook een gebroken vaas. Men werd er zich meer en meer van bewust als wat het was: rest en reliek. Als zodanig al was het functie-loos en omdat het bovendien steeds minder paste in een onder invloed der voortschrijdende techniek steeds sneller veranderende uiterlijke omgeving werd het zelf lichtelijk belachelijk, niet alleen voor ons bewustzijn-achteraf, maar ook voor het zelfbewustzijn juist van de besten van toen, die het geheel verwierpen. D.w.z. het is nooit een echte traditie meer geworden, want het kenmerkende van echte traditie is immers juist het oncritisch aanvaarden ervan. Wie over een traditie gaat nadenken, zij het zelfs om haar weldadig en zegenrijk te heten, heeft er in wezen al mee gebroken. Vandaar dat die pogingen tot herstel van de vóór-revolutionnaire traditie, waarin de reaction-naire romantiek zich uitputte, gewild en onernstig aandoen. Deze romantici waren, inderdaad, objectief, onernstig, hoe ernstig zij zichzelf ook nemen en hoe ernstig men hen als critici van het cultuur-tekort van hun tijd ook nemen moet. Want dit moet men toegeven: de partij der reactie heeft begrepen wat de partij van de vooruitgang niet begrepen heeft, n.1. dat in de nieuwe traditieloze wereld alle cultuur ten dode was opgeschreven. Dat is de onvergankelijke les uit de geschriften van een Burke, een De Maistre en een Haller. Waar het op aan kwam was echter het scheppen ener „nieuwe” traditie; de eerste partij heeft dat niet gewild, te veel gehecht als zij was aan het restant van de oude; de tweede heeft het niet gekund, overweldigd als zij was door de onderen der techniek in haar nieuwe uiterlijke omgeving. Ziehier de eigenlijke tragiek van de 19e eeuw. *5
Wat echter gold en geldt voor de doorsnee-burger in Europa, gold en geldt in veel heviger mate voor de Jood. De oude Christen bleef leven in een wereld die doortrokken was van een eeuwenlange christelijke geschiedenis. Zelfs een ontkerstend Europa is een Europa dat bouwt op christelijke herinneringen en symbolen. De Jood echter die brak met zijn traditie kwam in een maatschappij die geen directe banden had met zijn verleden1. Daarom is bij onze groep de vervreemding van haar cultuur en de vereenzaming van de individu nog groter dan in de door J. Romein beschreven situatie2.
Het heeft zin om hier de naam van Franz Kafka te noemen. Kafka’s
117
1
Men vergelijke b.v. het rapport van het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut over kerkelijkheid en kerksheid in Nederland, - Den Haag, Januari 1963 - met onze uitkomsten. Men ziet dan wel dezelfde tendenties, maar zeker verschil in fase wat betreft het verval der traditie bij de groepsleden.
2
Prof. Romeins essay werd uitvoerig besproken door Dr. I. Swelheim in verband met de crisisproblematiek van het Nederlandse Jodendom in een artikel in het tijd-schrijft „Levend Joods Geloof” van September 1962.