Al wat een mens kan lijden, wordt tot sage, een spiegel, door de walm des tijds beslagen, en tot een schim vervaagt de angst der ziel; m dichte wolken woekeren de grassen over de zwarte, snel geronnen plassen, waar eens een strijder in den hemel viel.
Slechts wien de afgrond zei ven heeft genomen, kan tot de nameloze klaarte komen, waarin de eeuwigheid den tijd doordringt.
Hij weet: zijn leven is niet meer te scheiden van de verlorenen, de weggeleiden, wier stem de stilte van zijn nacht doorzingt.
De grond, waartoe hun leven is vergaderd, het is de grond, waaruit het leven nadert tot ons, verankerden in tijd en nood.
Hun gindse vrijheid blijft ons hier omwaaien, totdat ook wij het avondvuur zien laaien en worden hun gelijken m den dcred.
?5