II
De klokken luidden niet, toen gij verscheidde, noch lei men kransen bij uw open graf, er was geen priester die gebeden zeide en u vertrouwend in Gods handen gaf.
Gij zijt genadeloos teloorgestoten in de verschrikking van een blinden dood. Nog hadt gij uwe ogen niet gesloten, toen het geweld u reeds de keel afsloot.
Dit was een sterven als een dier moet dulden, dat weerloos naar de slachtplaats wordt geleid. Maar gij, de steeds door vuren angst omhulde, vervolgt mij met de jammer van uw strijd, uw stom gebalde vuist, uw snikkend vragen, waarom uw leven werd kapotgeslagen.
28