I
Gij zijt er nu niet meer, de dageraad hert als een vreemdeling het bleek gelaat boven de kim, de eindeloze velden, waar elke huiver mij uw leven meldde, liggen verstomd, ik kan er niet meer heen met deze ogen, die zich nu alleen voor alle einders moeten openstellen en hun het nameloze leed vertellen van uw afwezigheid, uw ondergang.
Gij zijt vergaan, ik weet het al zo lang, dat ik het wel gestadig moet herhalen, totdat de nacht ook over mij zal dalen. Dan is er niets meer tussen u en mij, dan zijn wij stil en zeer elkaar nabij, dan liggen wij, verloren en bewaard, samen voor eeuwig in dezelfde aard.
IN MEMORIAM
27