zich aan zou storten op het continent.
Maar er weerklonk geen stem van overzee die door dit lijden werd verteerd; hier stierf een volk en aan de uitgebluste kim stierf dag na dag als een verloren kreet.
Wie naar de ziel grijpt, martelt ook het lijf, hij rukt aan levend weefsel, hij ontwricht het innerlijke spanningsevenwicht; maar deze martelzucht bleef onvoldaan zolang er nog iets stuipte in de Jood, al was het slechts de waanzin van een dier dat door een vlammengolf besprongen wordt; zijn heugenis moest worden uitgeroeid onder de zon, het krachtveld zijner ziel zo diep verwoest dat er geen echo klonk achter het gillen van zijn stervenskreet; de laatste grijsaard en het prilste kind moest worden weggeworgd opdat voor eens en eeuwig de verborgen God bezweek die door dit volk zijn ademhaling joeg.
Het waren jongemannen, recht en hecht, het oog een beker vol inwendig licht, de borstkas een gewelf van levensdrift, de benen spierkolommen die de romp slank en veerkrachtig hielden opgetild; het schoonste dat de aard ontstijgen kon, lichthonger en bezonkenheid ineen, een ochtendklaarte langzaam aangegloeid tot hoog, extatisch zomermiddagvuur.
En heel dat woud van jonge mensenkracht
40