licht zaaien waar geen licht meer denkbaar is, gangen in het luchtledige te graven, steeds aan de zenuwknopen van de schepping te raken, diepe rillingen te wekken in de stroombanen van haar organisme, totdat hij het ontstelde huiveren van zijn verlatenheid voelt overgaan in een ontzaggelijke golfbeweging die laaiend door het universum rent.
En hier ligt alle rampspoed van de mens
tot op de kiem van haar verschrikking bloot:
dat hij zijn schaduwbeeld vergroten moet
om uit de lichtorgie van het heelal
te kunnen vluchten in zijn eigen drift;
hij, de verloren, de barre enkeling
die oog in oog staat met de scheppingsgrond,
een spiegel die hem blindslaat zo zijn hand
haar witte vlam niet te bedekken poogt;
maar nooit wendt hij die marteling meer af,
elke beweging laat een vuurspoor na,
eeuwigheid kan slechts eeuwigheid verwekken,
wie vlucht rent steeds zichzelven tegemoet;
ook al vergiftigt hij het wereldlicht
met zijn niet uit te razen razernij,
hij kan zichzelf niet aan zichzelf ontrukken
en moet zijn woede wreken op de stof,
het zichtbare bestanddeel van zijn wezen,
haar bloed versplinteren, haar scheppingskracht
vergruizelen tot fracties van atomen
wier levenshonger zich te pletter spat
en hem, de mens, wegslingert uit zijn droom
van onverdragelijke heerlijkheid.
25