vertrapten zij wat in bekommering gewrocht was. Niet meer naar een enkel ding, maar naar het gansche aardvlak grepen zij, droomende van een rijk dat zich voorbij de grenzen van den tijd hield opgericht, vereeuwiging van menschelijke drift.
Weer suisden eeuwen weg als korrels zand tusschen de vingers van de godenhand.
Hij bleef aandachtig, maar de ketenrij der generaties gleed zoo snel voorbij, dat hij soms niet meer wist te onderscheiden naar gisteren en heden in dit glijden.
Hij tuurde strakker, maar heeft slechts aanschouwd een tijdloos zijn. Dan werd hij weer vertrouwd met het afzonderlijke, in zijn klein, statisch en absoluut voleindigd-zijn.
En in zijn hand hield hij als een juweel een wereldrijk, een stad of een kasteel, en zag aan hen het grootsche lijnenspel, waarlangs de schepping zich bewoog. Ook wel werd hem het menschelijke tot een smart, die knaagde aan de warmte van zijn hart en deed hem huiveren, zooals ook zij huiveren moesten, die in het getij
82