Een paar maanden haar buiten. Het komt goed uit. Men leeft in den zomer en de familie was van plan, een poosje naar den zeekant te gaan. Louise zucht en mijmert. Naar zee — waar zij met Dries zulke gelukkige uren heeft doorgebracht. Welk een bron van bittere en schoone herinneringen.
Misschien is de wolk van onrust meegedreven met den trein. Hoe het ook zij, Dries voelt zich beroerd. Het bevrijdende gevoel, dat hij meestal kende, wanneer hij tusschen de wielen zat, is nergens te vinden. Geen attractie staat hem nog voor oogen. Hij weet alleen, dat hij zichzelf meeneemt. Is hij misschien wagenziek? Dat is hem wel eens eerder overkomen. Hij gaat naar het toilet, omdat hij voelt, dat hij moet braken. Maar er komt niets. Duidelijker dan in de coupé hoort hij hier het rhythmische gedaver van de wielen. Hij staat over den koker gebogen en ziet de spoorbaan voorbijschuiven.
De wielen zingen en dreunen: Ta, ta,
149