zou zon en licht tegemoetgaan, met andere menschen spreken, gewichtig doen — en tegen het moment, dat hij berooid was, zijn zwijn van een broer om geld schrijven.
Hij zou onder den blauwen hemel wandelen, en ’s avonds onder de sterren. Waarschijnlijk menigmaal met een vrouwelijk wezen aan zijn arm. In ieder geval — hij zou altijd met zichzelf wandelen, met het hoopje vuil, dat Dries Hartvelt heette en waarin hem, boven alles, de telkens weer ópschietende zelfvoldaanheid ergerde. Deze zelfvoldaanheid was een fetisch, dien hij geeselen wilde. Iets dat niet bestond, maar dat hij moest oproepen, om te kunnen leven, d.w.z. om te kunnen agee-ren en reageeren.
Een mensch is vrij om met zichzelf te doen wat hij wil. Hij mag een burger worden, of een kapitalist, of een hongerlijder, of een clown, of een lijk. Hij mag spelen met andere menschen, met de wereld, met zijn vermeende waarde en reëele waardeloosheid. Hij mag een fraai pakje aantrekken en door de straten paradeeren. Hij mag in zijn zakken cigaretten hebben en
146