hem moet gaan, kijken of hij wat bedaard is, of zij soms iets voor hem kan doen.
Door de geopende deur valt een vage lichtschijn in de kamer. Hij staat daar als een donkere, statige figuur. Iemand, die in zijn nachthemd voor Napoleon poseert. Hij is overwinnaar. Hij zal zich niet meer bewegen. Er kan hem niets meer gebeuren. De kolos ligt aan zijn voeten. Hij staat hoog op zijn eenzamen post. Hij blijft staan — waarom weet hij niet. Er is niets meer in hem, dan het trotsche, harde gevoel van overwinnaar te zijn, niets meer te hoeven vreezen, geen mensch, geen ding. Het leven niet, den dood niet. De eeuwigheid omspoelt zijn voeten. Zijn hoofd steekt tot in de hoogste, stilste, sereenste hemelen.
Juffrouw Alberts zegt maar niets. Zij blijft bevend en met tranen in de oogen wat rondscharrelen in de gang. Het duurt lang eer Toosje komt. De Alberts mogen al geen busklanten zijn, de dokter heeft nooit wat behoorlijks aan hen verdiend. Alleen de juffrouw kwam wel eens voor hoofd- en buikpijnen bij hem. Dus vindt
141