vernietigd, van de aarde verdreven, weg-gewischt worden.
Ik sta op, grooter dan jij, sterker dan jij, trotscher dan jij! Ik sta op en ik sla je in je lachende tronie!. ..
Gerinkel van glas. Juffrouw Alberts gillend overeind. Ze ziet haar man, rechtop staande in zijn bed. Haar eerste beweging is naar het koord van het electrische licht. Zij trekt, maar het brandt niet. Hij heeft de lamp kapot geslagen! Hij is krankzinnig geworden!
— Toos! Toos! gilt zij.
Hij staat daar nog in zijn nachtgewaad op het ledikant. De arme vrouw vlucht snikkend en schokkend uit het vertrek. Toos, in haar liefelijksten droom opgeschrikt, begint mee te huilen, als ze de angstige, onsamenhangende woorden hoort.
Maar er moet gehandeld worden. De dokter — vlug — vlug. Toos kleedt zich en rent naar beneden, naar den dokter.
Angstige momenten voor juffrouw Alberts. Zij wilde wel wegvluchten, maar zij heeft teveel medelijden met haar man. Zoo bevreesd is zij niet, of zij voelt, dat zij bij
140