In de Vloedstraat, op het kamertje aan de tuinzijde, ligt Toosje Alberts en droomt er kleurige droomen, van zonneschijn en geminnekoos. Het geheel is kinderlijk vroolijk. Onweerswolken komen er niet bij te pas.
Maar geen tien schreden van haar verwijderd liggen haar ouders. Wat juffrouw Alberts betreft, zij slaapt. Zij moet slapen, uit een intuïtief plichtsbesef. Haar man doet te vreemd, om niet erg bang te zijn. Om niet te gelooven, dat hij al minder geschikt wordt voor zijn zaken. En wie zal hen dan verzorgen? Zij is een dapper vrouwtje, die kleinburgerlijke, sentimen-teele juffrouw Alberts.
Naast haar ligt haar man. Hij beleeft zijn beslissenden nacht. Het klinkt erg hoogdravend. Wie hem ooit heeft gezien, zal het toegeven. Een kruideniertje in een lange grijze jas. Een scherp kopje. Niets bijzonders. Wat boersch, met een zeer nauwe, op schrapen en karig leven gerichte intelligentie.
De beslissende nacht. Het kussen is warm. Hij heeft weinig plaats noodig. Wil
*37