kon slapen. Voor zijn gesloten oogen werd een afschuwelijk spel gespeeld. Hij had geen duizenden vijanden in de wereld. Hij moest er één hebben. Maar zoo hardnekkig had hij zich afgekeerd van de concrete bedreiging en de vlucht gezocht in een wereld, waar vage, vormlooze demonen ronddwaalden, dat hij zich er maar niet op kon bezinnen, wie zijn vijand was, waar hij school, hoe hij hem zou kunnen vernietigen. Zijn zinnen waren scherper gespitst dan ooit te voren. Hij had er steeds het achtelooze gebruik van gemaakt dat den gemiddelden burger kenmerkt. Nu vingen zijn ooren iederen klank op.
Toen de naam Hartvelt voorzichtig Toosjes mond verliet, was hij niet geschokt. Het woord zei hem niets. Hij zocht zijn vijand ... Maar even later — hij hoorde en combineerde bliksemsnel: Ko-lonia. — Zijn dochter met een man van de Kolonia uit wandelen, uit vrijen natuurlijk, en God weet wat nog meer. Zijn dochter in de armen van een van die ploerten. De gordijnen werden weggescheurd, de schemerige schaduwwereld werd plotse
i)4