achter de krant, schijnbaar in slaap.
Toos was niet zoo erg vertrouwelijk met haar moeder. Zij was een openhartig kind, maar de overdadige sentimentaliteit, waarmee juffrouw Alberts op Toos’ uitingen reageerde, schrok haar af. Hoe kwam ze dan nu te vertellen, dat ze met dien jongen had gewandeld?
Zij zaten tegenover elkaar en staken hun hoofden achter de theemuts, die in het midden van de tafel stond. Het was ook maar geen gewichtige zaak, met den broer van den directeur van de Kolonia te hebben gewandeld. Juffrouw Alberts vond het niet zoo erg, als haar dochtertje eens in eer en deugd een straatje omwandelde. Maar nu schrok ze toch heusch, zoo goed als Toosje was geschrokken, toen Dries haar zijn afkomst openbaarde. Even stormde er een vreugde in juffrouw Alberts op. Als het kind eens beet had! Maar een seconde later al was er de angst, die haar het hoofd deed omwenden naar haar echtgenoot. Alberts zat nog in dezelfde houding. Het fluisteren ging verder. Maar hij sliep niet. Hij was ziek, hij voelde, dat hij niet
*33