Ze begon nog even over die geschiedenis van de zaak. Haar vader trok ’t zich zoo aan. Maar hij zei geen woord. — Zoo gaat ’t dacht Dries, mijn broertje trapt al die kleine menschen dood. Ik zou ’m 'n fielt noemen, als ik zelf een grein beter was. Ten slotte moest hij wel wat zeggen. Een paar kalmeerende woorden. Dat er wel twee zaken tegenover elkaar konden bestaan. En meer van dergelijke dingen. Wat een ellende eigenlijk! Wat had hij er mee te maken?
Hij wandelt naar huis en er is een mannetje op een café-terras, dat hij een dubbeltje geeft. En er is een kruideniertje, dat met stomheid is geslagen, omdat hij in afwachting van zijn ondergang leeft. En er is Louise en Nanny en Toosje. Het leven is ingewikkeld. Bemoei je alleen met de dingen, die je aangaan. Waarom haalt-ie zich zooveel aan z’n kop? Zijn savoir vivre is aan ’t aftakelen. Hij verzeilt in de goot met al zijn gedoetjes. Weet geen draden meer rücksichtslos af te breken.
Het waait. Het regent niet, maar de lucht is vochtig. Hoe houdt iemand het
130