’t Is thuis beroerdigheid. Vader loopt er als een dooie bij. Is ’t geen slechtheid om nou met den concurrent uit wandelen te gaan?
Na een paar minuten vertelt hij haar, wie hij is. Daar krijgt ze een kleinen schrik van. De baas zelf! Maar hij lacht uitbundig. Daar is ’t nog een heel stuk van af. Als-ie wou, — maar waarom zou-ie met dit kind daarover spreken?
Hij paste al zijn verleidelijke kunstjes toe. Dreef ’t een heel eind. Och, dat slag kinderen is zoo makkelijk te hebben. En lachen dat ze kon, die Toosje! Hij was ook geestig, heel anders dan ze ’t ooit van anderen had gehoord. Natuurlijk zocht hij het niet te hoog. Hij voelde wel zoo ongeveer, wat haar paste.
’t Was een volkomen onbedorven kind, al was ze ook gewillig. Maar de zaak liep niet zoo’n vaart. En bovendien, kan iemand ondanks dat niet onbedorven zijn?
Twee uurtjes rond wandelen. — Seniel gedoe, dacht Dries, toen ze weer in de buurt van haar huis kwamen. Hoe lang duurt ’t nog?
9 I29