ligheid van het jonge broekje. Vermaningen, verwijten, tieren en vloeken. De twee bedienden luisteren gretig, wanneer er geen klanten zijn.
— Ik trap je d’r uit! schreeuwt de baas ten slotte. De jongens lachen en beven. Daarvoor moet je nou broer van den directeur zijn. Afschrikwekkend en heerlijk tegelijkertijd.
Dries is niet geïntimideerd. Hij heeft het er misschien niet op aangelegd, maar is blij, dat-ie ophoepelt. Zegt de jongens vriendelijk goeien dag en gaat weg.
De baas heeft dan wat instructies uit te deelen. De zaak kan gerust buiten dien lamzak, ’t Was eigenlijk alleen voor den openingsavond. De rest, een poging om wat goeds van hem te maken. Maar hij wordt met den dag onhandelbaarder. Zal Dirk nog menig woordje over moeten vuil maken.
Dries staat op het hoekje, om acht uur. Een geduldig minnaar. Toosje komt weldra. Ze is naar een vriendinnetje gegaan.
128