paar uur. Twee biertjes, drie biertjes, vier biertjes. Het begint te stortregenen buiten. Allemachtig! en z’ n regenjas hangt in dezaak. Kalm wachten tot de bui is afgeloopen.
Dan komt er nog een moment van neerslachtigheid. Dinsdag, Woensdag — dan is-ie weer vrij. Een knappe jongen, die hem er nog toekrijgt, één, zegge één vinger uit te steken voor de Kolonia.
De werkloozen loopen langs de straten. Zij worden innerlijk en uiterlijk krachteloos. Steken geen vinger uit. Willen misschien werken, maar kunnen niet. Mopperen, schelden, vloeken. Maar de handen worden slapper. Verliezen de macht om zich tot vuisten te ballen, om te slaan, toe te knijpen.
Dries Hartvelt zal niet werken en maakt desondanks een goeie kans, nooit honger te hoeven lijden. Misschien, dat-ie ’t ver-bruidt. Z’n vader bezit geen cent. Alles van broertjelief.
Die staat daar wijdbeens in den winkel, als Dries, tamelijk nat, binnenvalt. Zij gaan naar het leege achterkamertje. Verwijten van de zijde des gezags. Onverschil
127