— Met mij best. Ik ben zoo gewoon als maar kan. En jij? (Het hoort er nu eenmaal bij, dacht hij.)
— Ik moet je een heeleboel vragen. Haar stem liet iets van tranen doorklinken.
— Een paar dagen geduld nog. Ik moet hier heusch nog werken ook. We spreken mekaar wel. Daag!
Hij bleef met een somberen kop in zijn boek bladeren. Hemeltje lief! die meid liet je niet met rust! Het moest uit zijn. Heel gauw!
— Ongekunstelde kinderen, laten we ’t daar nou eens over hebben. Ik wil mezelf graag ’t maximum van gekunsteldheid toekennen. Zoo’n type uit deze buurt. God allemachtig! 't was zonde om er aan te denken. En de burgerlijkheid zou toch ook op den duur uit zoo'n vrouwspersoon te voorschijn komen.
Aldus zat hij te prakkizeeren, terwijl hij het gedicht „Femmes Damnées” las. Verduiveld mooi, dat: ,,Comme un bétail pensif..." Als hij nu bedacht, dat hij zich in dit vunzige hoekje met Baudelaire occupeerde, onderwijl aan zijn persoonlijke
120