HET BLOEDSPOOR
Het bloedspoor van haar dode mond, het hoog, wanhopig sterrensein.
Ik loop de avondstraten rond, ik kan niet langer levend zijn.
Ik moet te loor gaan in de grond, ontrukt aan elk besef van pijn, eer ik het bloed stelp van die wond, die donker brandende fontein.
O waanzin die mij verdersleurt, de allerlaatste straten door, tot ik het zeegedaver hoor, tot ik, verwilderd en verscheurd, de wereld peil tot op haar grond: een kille, doodgebloede mond.