DIE ANGSTEN.
Die angsten van haar wezen, die rode golven pijn, waarin zij wentelt, niet te genezen.
Ik voel het kreunen in mij dringen, dat aan haar lijf ontwelt, ik zie de wereld huiveren en wringen, waardoor haar adem snelt.
Ik leef haar nachten na tot op de gronden, waar sterren zijn verteerd tot gloeiend puin. Ik houd mijn handen op haar wonden die nimmermeer te dichten zijn.
36