Een mens — hoe onverbiddelijk sonoor
hebt gij dien naam doen klinken; tot zijn blanke
eenzelvigheid hebt gij teruggebracht
dit woord, zwart aangeslagen door den smoor
van duizend jaren, maar dat eens in ranke
huivering steeg uit den bewustzijnsnacht.
In u bleef de oorspronkelijke glans
van de verwondering der ziel behouden,
die nog geen wraak of loon ontketend zag;
de wereld schommelde in de balans
van uw gemijmer als een vrucht, een gouden
volmaaktheid, die geen droom doorgronden mag.
Hoe meer de tijd uw huid heeft afgeschuurd, te feller werd uw hartstocht naar de toppen van een geluk, dat enkel wonden slaat; hoe vast gij uw gedachten hebt bestuurd, soms werd hun onrust tot het blinde kloppen, dat voor de poorten van den waanzin staat.
36