Nog stond, gelijk verblekend morgenrood, boven uw kim de langzaam weggevaagde herinnering aan een barmhartig God, maar als gij in den nacht uw ogen sloot en een verloren wind den tijd doorvlaagde, greep wilde eenzaamheid u bij den strot.
*
Al lang geen kind meer, in uw kinderspel door rukwinden van angst reeds overvallen, zaagt gij met zestien jaren in den grond der eeuwigheid, een uitgebluste hel, waar nimmer de bazuinsignalen schallen, wier witte doortocht het gericht verkondt.
Tegen het woeden van uw vrezen in traadt gij naar voren met gespannen leden en drongt het zonlicht binnen; als een brug stonden uw schouders, toen gij middenin verwildering en licht zijt voortgeschreden, alleen, maar nooit bereid tot een terug.
27