De lente was alweer een eind gevorderd, toen Hans bij een bezoek aan Eelstwoude hoorde, dat de oude baron Wae-lenburgh zojuist was gestorven. Overal in het dorp werd de tragische figuur van de baron besproken en meestal in lovende woorden. De dood stemt hen, die nog leven, milder en ten slotte was de oude edelman alleen nog maar een beklagenswaardig mens geweest.
Hoe zijn dochters over hun vader dachten, nadat deze was overleden, wist men niet. Maar wel wist men al spoedig, dat er tussen hen een hevige onenigheid over de nalatenschap was ontstaan. De bejaarde rentmeester Van der Pek, die nog steeds in dienst was gebleven, werd kort na de dood van zijn heer door de dochters aan de dijk gezet en vertrok uit Eelstwoude. Tegenover kennissen verklaarde hij, dat hij niets liever begeerde dan zich zo spoedig mogelijk uit het geharrewar terug te trekken. De dames moesten hun zaken verder maar alleen beredderen.
Enige maanden na de dood van de baron ontving Hans Bartels een brief, met het hoofd „Nederlandse Exploitatie-maatschappij voor Onroerende Goederen”. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven, toen hij deze brief las. De maatschappij schreef, dat zij het grootste deel van de bezittingen van wijlen baron Waelenburgh van de erfgenamen had gekocht. Zij wilde voor de exploitatie van deze bezittingen een speciale vennootschap oprichten. Uiteraard zouden de zaken niet op de oude voet worden voortgezet en voor de reorganisatie en de verdere leiding der zaken had men een bekwaam jurist nodig. Nu had freule Aletta Waelenburgh Mr. Bartels met de grootste nadruk aanbevolen voor de vervulling van deze functie. Het zou de
269