daar stond, zag men ver over het bergland uit: de donkere bossen met daartussen de kleine, blinkende meren en verderop de hogere toppen.
Zwijgend legden de jonge mensen het laatste stuk af. Zij wilden vóór zij vertrokken nog eenmaal bij de hoge vlagge-mast over de omgeving uitzien. Maar toen zij het huis bereikten en naar rechts wilden afslaan, waar het uitzicht zich opende, bleven beiden als bij toverslag staan. Daar zat, in het heldere licht van de vroege herfst, naast de vlaggemast, de benen over de rand van het plateau hangend, een vrouw, bleek, met geconcentreerde blik.
Hier, vele honderden kilometers van Eelstwoude, om zo te zeggen aan het eind van de wereld, aanschouwden zij Aletta Waelenburgh. Geen van hen beiden had er behoefte aan, dat de freule hen herkende. Hans wel het minst. Hij wilde zich al omkeren, toen Aletta, die schijnbaar diep in gedachten verzonken was geweest, eensklaps het hoofd ophief en hen pal aankeek. Hans kon niet anders dan haar groeten en zij knikte stijfjes terug, zonder merkbare verrassing. Ook Marie groette de freule, die zoals zij daar zat de indruk maakte van iemand, die nauwelijks meer tot deze wereld behoorde, maar halverwege tussen de aarde en de hemel zweefde. Er ging een sfeer van eenzaamheid van haar uit, die de jonge mensen een tijd lang het spreken belette.
Eerst toen zij het laatste stuk van de weg waren af gedaald en langs het hotel liepen, waar Aletta waarschijnlijk logeerde, vonden zij hun spraak terug. Natuurlijk hadden zij het over het hoogst merkwaardige, ja angstaanjagende van deze ontmoeting.
„De wereld is toch maar klein,” zei Marie. Maar Hans had
267