scheen dit land te worden gekenmerkt. Ruimte, rust en schoonheid.
Tegen de avond kwamen ze in hun pension aan, midden in de bergen gelegen, met een wijd uitzicht over het donkere, golvende land. Heel in de verte zagen ze een steile, bijna puntige top in de lucht steken en daar glinsterden ook enige witte plekken: sneeuw, die zelfs gedurende de zomermaanden niet geheel wegsmolt.
En nu begonnen er tien dagen van wandelen, van luieren, van autotochten in de omgeving; voor Poolman ook dagen van schetsen en schilderen. Het zomerseizoen was bijna voorbij, er logeerden buiten hen nog maar enkele mensen in het pension. Ze maakten kennis met hen en ondanks de taalmoeilijkheden, ontstond er een zeker contact, zoals al gauw ontstaat tussen mensen, die samen hun maaltijden gebruiken en lange avonden in eenzelfde kamer doorbrengen. Achter de vensters vervaagde langzaam het berglandschap, de gordijnen werden gesloten, in de open haard laaiden vlammen, grillig en kleurig. Iemand stond op, ging naar de piano en speelde een monter of melancholiek Noors volkslied. De andere gasten zongen mee en de buitenlanders luisterden of zongen op primitieve wijze ook wat mee.
Op een van de laatste dagen ondernamen Marie en Hans nog eenmaal een wandeling, die zij al eerder hadden gemaakt. Hun weg voerde langs een groter hotel, niet ver van het pension gelegen. Voorbij dit hotel liep de weg omhoog door de bossen en eindigde bij een plateau, waarop een hecht, houten huis stond, dat alleen s winters, wanneer er wintersport werd beoefend, bewoond was. Naast dit huis verhief zich een hoge vlaggestok en als men
266