het zover was, maar het kwam toch dichterbij, heel langzaam, stap voor stap. De toekomst bewoog zich naar hen toe, ze hoefden niets anders te doen dan te leven, te werken en dan, op een dag, zou het alles werkelijkheid zijn, een lichte ruimte, waarin ze rondgingen, met elkaar, naast elkaar, voorgoed verbonden.
Drie dagen later, in de nevelige vroegte van een sep-temberochtend, verliet Hans met twee grote koffers aan de hand het pension Poolman. Zijn aanstaande schoonvader stond bij de bagageruimte van de auto. Hij had zijn schil-derspullen en zijn eigen koffer al ondergebracht. Binnen had Marie nog iets te doen. Vrouwen hadden steeds nog iets te doen, dat wist Hans nu wel, maar aangezien hij geen vijand van het vrouwelijk geslacht was en zeker niet van Marie, kon hij er alleen maar om glimlachen. Maar ten slotte liep hij weer naar binnen om te vragen waar zij bleef.
Zij kwam er juist aan, in het reistoilet, dat zij in Amsterdam had gekocht. En zij straalde, toen Hans spontaan een uitroep van bewondering slaakte. Haar moeder droeg een zware reistas voor haar, maar Hans nam deze snel van haar over. Buiten toeterde de heer des huizes ongeduldig. Op het laatste ogenblik, toen men reeds uitvoerig afscheid had genomen, en de portieren werden dichtgeklapt, verscheen nog de oude kolonel Blinxma in de deur. Hij wuifde naar de wagen, terwijl deze zich in beweging zette. Zijn verhouding met Hans was nog steeds van de meest vriendschappelijke aard. Hans had het gevoel, dat hij de oude militair de illusie had gegeven, een grote slag te winnen. Ofschoon Blinxma nooit nadrukkelijk de eer voor de op
262