namen haar toch dankbaar van hem aan. Ja, ze zouden niet verzuimen, een en ander te gaan bekijken.
De eigenlijke reden waarom Marie naar Amsterdam was gegaan, was dat ze nog enkele dingen voor de reis moest inkopen. Meestal ging ze daarvoor naar een andere stad, maar nu Hans in de hoofdstad was, kon ze wel zo goed daarheen gaan. Hans was het geheel en al met haar eens. Als gelukkig mens wilde hij het graag met alles eens zijn en hij prees zelfs de aanwezigheid van Gilhorst, omdat hij zich straks, na diens vertrek, des te blijder zou voelen, eindelijk met Marie alleen te zijn.
Nadat hun tafelgenoot afscheid had genomen, bleven ze nog even in het restaurant zitten, lang genoeg om Hans gelegenheid te geven, zijn vreugde te uiten over haar plotselinge komst. Toen ging zij snel naar de telefoon, want haar nicht wist nog niet eens, dat zij in de stad was, zodat zij niet zeker wist of zij daar vannacht kon logeren. Gelukkig was er geen enkel bezwaar.
Die avond maakten ze nog een lange wandeling door het hart van de stad. Marie, ofschoon hier niet geheel vreemd, kwam toch voor allerlei nieuwe dingen te staan, dank zij Hans' ijver. Het was niet zozeer, dat hij haar wilde laten merken, hoe goed hij de stad wel kende, maar de behoefte, haar te laten delen in de indrukken, welke hij zelf had ondergaan, toen hij dit alles voor het eerst aanschouwde. De volgende dag vergezelde hij haar weer door de stad, nu bij haar bezoek aan vele grote, drukke winkels. Marie genoot, Hans die dit alles goed kende, genoot mee van haar verrukking. En een paar keer zei ze: „Dit wil ik ook hebben, later, als we getrouwd zijn...” Dan begon zijn hart sneller te kloppen. Het zou nog wel een poos duren, eer
261