„Als jij je van je studie laat afhouden, ben je geen knip voor de neus waard!” beweerde Marie.
Hij schudde haar lachend door elkaar en toen lachte zij ook.
„Pas maar op dat ik je juist niet te veel opjaag!” waarschuwde zij. „Je kent me nog niet half!”
„En jij mij niet!” antwoordde hij.
Hans betrok zijn oude kamer weer, alsof er sedert hij van hier was vertrokken, niets was gebeurd. Misschien had hij er een voorgevoel van gehad, dat hij hier zou terugkeren en had hij daarom de kamer indertijd niet opgezegd. Toch was hij niet zo heel erg gelukkig, toen hij haar weer betrad. Hij had hier vele uren van hard werken doorgebracht, maar ook vele uren van moeilijk te verdragen eenzaamheid. Weliswaar stond hij nu volkomen anders in het leven, maar de atmosfeer van het nog zo nabije verleden hing duidelijk om hem heen.
Langzaam begon Hans wat orde te scheppen in de papieren, die hij hier bij zijn onverwacht vertrek naar Eelstwoude vrij achteloos had achtergelaten. Bij dit opruimen stuitte hij op de reclame-brochures, die hij op de dag na zijn examen bij het reisbureau in ontvangst had genomen. Hij moest lachen, toen hij de kleurige blaadjes terugzag. Wat een zotte inval was dat geweest! Wat had hij toen eigenlijk lopen rondlummelen! Kom, hij zou die dingen maar verscheuren, ze moesten met verschillende andere spullen, die aan een voorgoed vervlogen tijdperk herinnerden, verdwijnen.
Hij verscheurde ze echter niet, maar bleef peinzend staren naar de afbeeldingen van kusten, fjorden en bergen. De
256