ik met uw voorstel akkoord ga, is dat voor mijn moeder voldoende.”
„Goed. Dan stel ik u voor, het bedrag te vergoeden, dat in die brief genoemd wordt, omgerekend tegen de koers van mei 1934 en vermeerderd met een rente van vijf procent per jaar tot aan de dag van uitbetaling. Morgenochtend ontvangt u met de post een schriftelijke bevestiging van mijn voorstel. Als u dan met een volmacht van uw moeder komt, kunt u de zaak verder met meneer Van der Pek afdoen.”
„Meneer Waelenburgh,” zei Hans, „ik weet niet of ik uw voorstel mag aannemen en nog minder of mijn moeder zal willen, dat u een verplichting, die niet van strikt juridische aard is, zo regelt.”
„Beschouwt u een morele verplichting als minder bindend dan een juridische?” vroeg de baron scherp.
„Dat zou ik niet willen zeggen,” antwoordde Hans enigszins verlegen.
„Ik ben er absoluut op gesteld, het hele bedrag te betalen!”
De baron stond op en wilde Hans de hand ten afscheid reiken.
„Meneer Waelenburgh, ik heb uw dochter beloofd, dat ik haar die brief zou terugsturen.”
„O juist!”
De baron haalde de brief uit de zijzak van zijn jasje, waar hij hem schijnbaar achteloos in had gestopt, en overhandigde hem aan de bezoeker.
„Dan zijn wij dus klaar. Meneer Bartels, nogmaals mijn excuses voor de last, die wij u hebben veroorzaakt en
248