king van zijn gezicht was eerder nadenkend dan ontsteld. „Neemt u me niet kwalijk, dat ik me even van u heb afgekeerd,” zei hij, zonder een poging tot verklaring van deze manoeuvre te doen.
Waarom beroept hij zich er niet op, dat hij zo beter kon zien? dacht Hans, maar reeds vervolgde de ander:
„Het spijt me, dat u min of meer in een familie-affaire verwikkeld bent geraakt. Beschikt u over de bewijzen, dat die verdwenen tante van u identiek is met de in deze brief genoemde mevrouw Locker?”
Hans somde al zijn bewijzen op: de brief, die in het bezit was van de makelaar Lafeber, de passagelijst van de Holland-Amerika Lijn, de vondst van het lijk in een sloot onder het dorp Fichtel.
„En hoe had u zich de regeling voorgesteld?” vroeg de baron, zonder ook maar één moment Hans* voorstelling van zaken te betwisten.
Hans was verbijsterd door deze houding, waarachter hij een bijna bovenmenselijke zelfbeheersing vermoedde. Of was in dit verband het woord „onmenselijk” meer op zijn plaats?
Hij dwong zich om op dezelfde zakelijke toon te antwoorden.
„In de eerste plaats wilde ik u er op attent maken, dat niet ik de rechthebbende op de nalatenschap van mijn tante ben, maar dat mijn moeder dat is, de enige nabestaande in de rechte lijn van de overledene. En wat de regeling betreft, zou ik u willen vragen, mij een voorstel te doen, dat ik dan aan mijn moeder kan overbrengen. Dat laatste is overigens niet meer dan een formaliteit, want als
247