te stellen naar een tante van mij, die jaren geleden is verdwenen.”
„Ja zeker, meneer Van der Pek heeft me eens zoiets verteld,” antwoordde de baron.
Hans zag, dat hij de handen vaster op de leuningen van zijn stoel drukte.
„Welnu, freule Aletta heeft mij het bewijs verschaft, dat uw zoon Alfred bij de verdwijning van mijn tante betrokken was.”
„Met andere woorden, hij heeft haar vermoord,” zei Wae-lenburgh op stellige toon, hoewel zijn vertrokken gelaat nu een diepe bewogenheid verried.
„Nee, dat niet, hij heeft haar alleen maar bestolen,” antwoordde Hans. „Maar misschien wilt u de brief even lezen, die uw dochter mij heeft meegegeven, met het verzoek, hem u voor te leggen. Daarin wordt alles verklaard.” Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn, stond op en overhandigde de baron de brief. Waelenburgh nam een bril uit de borstzak van zijn colbert, bekeek de brief en zei: „U wilt mij wel excuseren!”
Hij schoof zijn stoel een kwartslag om, zodat hij met zijn rug naar Hans kwam te zitten. Deze zag nu alleen de achterkant van zijn hoofd, dat boven de rugleuning uitstak. Het hoofd, licht voorovergebogen, bewoog nauwelijks, zeker niet méér dan bij het lezen van welk geschrift ook. Hans hoorde het knisteren van het papier en eenmaal kuchte de baron en verplaatste zijn voeten een weinig. Na afloop van de lezing, merkbaar aan het geluid van het opvouwen van de brief, bleef het wel een minuut lang stil. Toen schoof de baron zijn stoel weer terug. De uitdruk
246