leunstoelen. De oude heer was schijnbaar volkomen rustig, toen hij het gesprek opende met de vraag:
„En hoe hebt u mijn dochter aangetroffen?”
„Ik geloof wel, dat ik mag zeggen: naar omstandigheden goed,” antwoordde Hans. „Mijn indruk is, dat ze wel zal herstellen.”
„Het feit, dat ze u heeft willen ontvangen, is op zichzelf al een gunstig verschijnsel. Ik weet niet, of u gerechtigd bent, iets te vertellen van de moeilijkheden, die er met betrekking tot u bij haar bestonden, maar u begrijpt, dat ik graag zou weten, of ze enige innerlijke verlichting heeft gekregen door uw bezoek.”
„Ik heb de indruk van wel,” antwoordde Hans, die moeite had, niet in zijn stoel heen en weer te schuiven, daar hij het grote moment snel voelde naderen.
De baron was er de man niet naar om te vragen, waarom Hans hem vanmorgen had willen spreken. Hij zei slechts: „Neemt u toch een sigaret, de doos staat naast u!” Hans, blij met deze onderbreking, nam de doos van het tafeltje naast hem, nam er een sigaret uit, tikte deze af en stak haar langzaam op. Hij deed een diepe trek en zei: „Meneer Waelenburgh, de zaak, waarover ik met u kom spreken, is van bijzonder delicate aard. Ze betreft niet alleen uw dochter Aletta, maar ook wijlen uw zoon Alfred”
Hans wachtte even, maar de baron reageerde niet merkbaar. Hij hield zijn blik aandachtig op de bezoeker gevestigd, als had deze hem wel een belangwekkende, maar zeker geen schokkende mededeling gedaan.
„Ik weet niet of het u bekend is,” vervolgde Hans, „dat ik indertijd naar Eelstwoude ben gegaan om een onderzoek in
245