ZEVENTIENDE HOOFDSTUK
freule hem had aangegrepen. In zijn nog maar
chteraf merkte Hans pas, hoezeer het bezoek aan de
korte leven had hij al veel lijdende en stervende mensen gezien, maar zij waren het slachtoffer geweest van een duidelijk zichtbaar, meedogenloos geweld. Hier, in het geval van de Waelenburghs, werkte een ander soort geweld, onzichtbaar voortsluipend en daardoor misschien nog angstwekkender dan de bruutheid, waarvan hij in de oorlogsjaren getuige was geweest en die hij aan den lijve had ondergaan. Trots, stijfhoofdigheid, verblinding, zwakheid — het waren allemaal toepasselijke termen voor de krachten, die op „De Beukenhorst” het leven hadden verduisterd. Maar was het niet alles samen te vatten in dit ene begrip: tekort aan liefde?
In een weinig opgewekte stemming keerde hij terug bij Marie, de enige, die van het gesprek mocht weten, die er van móest weten. Die avond, in de rookstoel op zijn kamer gezeten, las zij de brief van Alfred Waelenburgh. Deze sloeg haar even met stomheid.
„Afschuwelijk!” zei ze vervolgens en het leek of er een huivering door haar heen voer.
Het duurde echter niet lang, of haar praktische zin kreeg weer de overhand.
„Eigenlijk zijn het beklagenswaardige mensen,” zei ze,
241