„Goed, dat moet u maar uitzoeken. Laat u die brief niet bij mijn vader achter, maar doet u hem na uw bezoek aan hem in een enveloppe en stuurt u hem mij aangetekend per post terug. Wilt u mij dat beloven?”
„Natuurlijk...” Hij aarzelde even en vervolgde toen: „Het gaat me wel niets aan, maar hoe zal nu uw verhouding met uw vader worden?”
„Dat hangt van zijn houding tegenover u af. In ieder geval hoeft niemand zich over mij bezorgd te maken. Ik wil er weer bovenop komen, al was het alleen maar om Gusta niet het genoegen van een overwinning te bereiden.”
Zo eindigde dit gesprek niet met weemoedige of verzoenende woorden, maar met een uiting van verbittering en strijdvaardigheid.
En toch, toen Hans haar koele hand had gedrukt en de deur van de kamer achter zich sloot, wist hij zeker, dat er aanstonds weer tranen uit haar ogen zouden vloeien, meer dan gedurende zijn bezoek.
240