meisje, dat ik mij herinner; ik wens de vrouw, die je nu bent, heel veel geluk op haar levensweg.
Je broer ALFRED.
Nadat Hans deze brief had gelezen, bleef hij nog naar het papier zitten turen. Er hing een waas voor zijn ogen en het viel hem moeilijk, Aletta weer aan te kijken. Het was of hij in enkele minuten het drama van een heel leven had aanschouwd. Het riep een gevoel van pijn in hem wakker en zelfs van schuld, omdat in dezelfde wereld, waarin hij rondging en ademhaalde, een mens zo eenzaam en reddeloos te gronde kon gaan.
Eindelijk hief hij het hoofd op en gaf Aletta de brief terug.
„Met die brief heb ik jarenlang geleefd,” zei zij. „U bent de eerste, aan wie ik hem heb laten lezen. De enige, bij wie ik ermee had kunnen aankomen, was mijn moeder, maar ze zou van verdriet zijn gestorven — wat ten slotte toch gebeurd is.”
Ze zweeg even en sloeg de ogen neer. Op krachtiger toon vervolgde ze:
„Nu heb ik nog een verzoek aan u. Neemt u deze brief mee en ga ermee naar mijn vader. Ik vermoed trouwens, dat u daar zelf ook wel behoefte aan zult voelen.”
Hans keek haar verbaasd aan.
„U bent toch de rechthebbende op de nalatenschap van uw tante?” vroeg ze.
„Ja zeker,” zei hij, onthutst door de zakelijkheid van deze vraag. „Dat wil zeggen, in de eerste plaats mijn moeder...”
239