bracht mezelf zonder nut in gevaar, want er liep nog altijd een aanklacht wegens verduistering tegen mij. Toen, op die donkere avond, heb ik me gedragen als een lijkenrover. Ik liet het lichaam in een sloot langs de weg zakken, nam de beide koffertjes en ben te voet naar het stadje Steenhoven gegaan, waar ik de nacht heb doorgebracht. Mijn buit bedroeg dertigduizend dollar in contanten, enig kleingeld, dat ik in een portemonnaie vond, en wat toiletartikelen. De volgende morgen heb ik een auto gehuurd, de koffers van mevrouw Locker afgehaald en me vervolgens naar Amsterdam laten brengen, waar ik een vliegbiljet naar Londen kocht. Een week later was ik weer in New York.
Gestolen geld brengt geen geluk, zegt men. Ik heb dat ondervonden, ofschoon ook ander geld me nooit geluk heeft gebracht. Nu, een half jaar na dat voorval, ben ik even berooid als toen ik naar Europa vertrok. Ik ben er zelfs nog ellendiger aan toe, want destijds bezat ik nog een zwakke illusie, terwijl ik nu geen enkele hoop meer heb. Ik ben een onverbeterlijke zwakkeling en het besef daarvan is mij tot zon kwelling geworden, dat ik geen andere uitweg meer zie dan het leven te verlaten.
Lieve Aletta, ik ben aan het eind van mijn verhaal. Niet dat ik alles heb uitgesproken, wat er in mij omgaat, maar waarom zou ik je lastig vallen met mijn gevoelens en gedachten, te meer nu ik zelf besloten heb, de draad daarvan door te snijden? Leven is moeilijk, Aletta, sterven niet minder. Ik omhels het kleine
238