onze familie de enige bent, die mij begrepen zou hebben, als je mij gekend had. Het is misschien niets dan het ijdele verlangen van iemand, die altijd op onbegrip is gestuit of, wat moeder betreft, op een zwakheid, die zich tegenover het onbegrip niet wist te laten gelden. Maar ik wil toch heengaan met het geloof, dat jij enige sympathie zult behouden voor een broer, die de schande der familie is geweest. Overigens zal ik me niet proberen te rechtvaardigen. Integendeel, ik zal je een duidelijk bewijs geven van mijn zwakheid — een zwakheid, die verhinderd heeft, dat wij elkaar hebben leren kennen.
In het afgelopen voorjaar was ik er wanhopig aan toe. Dat was eigenlijk al een hele tijd het geval, en ik ben zo dwaas geweest, enige keren een noodkreet tot vader te richten. Het was een dwaasheid, want ik had moeten weten, dat hij onbuigzaam zou blijven. Toen heb ik aan jou gedacht. Misschien heb ik je geïdealiseerd, maar dan toch niet zozeer, of ik ben mijn ideaal al ontrouw geworden, eer ik het aan de werkelijkheid heb kunnen toetsen.
Onder een aangenomen naam heb ik me verhuurd op het s.s. „Veendam”. Het was mijn bedoeling, in Nederland met jou contact te zoeken. Aan boord maakte ik kennis met een zekere mevrouw Locker, die toevallig ook op weg was naar Eelstwoude. Het was een bejaarde, maar nog energieke burgervrouw. Ik heb haar verteld wie ik was. Ze kende onze familie, doordat ze uit de streek afkomstig was. Aangezien ze wel eens wat last had van haar hart, was ze blij, toen ik aanbood, haar naar Eelstwoude te vergezellen. Het
236