maar waarschijnlijk van uitputting. Er blonk zweet op haar voorhoofd, ze zag er plotseling heel vermoeid en weerloos uit. In haar hand, die op het dek lag, hield ze een brief. Hans begreep niet waar ze die zo gauw vandaan had gehaald.
„Leest u hem maar,” zei ze, terwijl ze zwak haar hand bewoog.
Hij nam de brief van haar aan en vouwde hem open. Het was een bevlekt stuk papier, gedateerd: New York, 14 december 1934.
„Lieve Aletta,
Ik schrijf je deze woorden, omdat ik wil, dat er tenminste iemand in onze familie is, die weet wat er van mij is geworden. En ik schrijf speciaal aan jou, omdat ik wat jou aangaat nog de illusie kan koesteren, dat je deze brief met enige welwillendheid zult lezen. Jij was nog maar een kind, toen ik het land moest verlaten. Ik weet niet wat je over mij verteld is; waarschijnlijk dat ik een dronkaard was, een speler en een dief. Dat is de waarheid. Ik heb zeker op het ogenblik geen enkele reden meer, om mezelf beter voor te stellen dan ik verdien. Dat daarom degenen, die mij van zich hebben afgestoten, juist zijn opgetreden, zou ik zelfs nu niet willen zeggen. Maar dat is verleden, zoals ook ik tot het verleden behoor, wanneer je deze brief ontvangt. Misschien weet ik dan iets meer van schuld en vergeving, misschien zie ik dan werkelijk „van aangezicht tot aangezicht”, zoals Paulus het noemt.
Ik weet niet waarom ik het gevoel heb, dat jij van
235